Een vallei te ver (Een kerstvertelling)

Langzaam doofde het enige, minieme lichtstreepje dat de sluitsteen doorliet. Weer een niet geleefde dag voorbij, verzuchtte Joram, terwijl hij met een duimnagel een nieuw streepje kerfde in zijn herdersstaf. Hoe vaak had hij dit avondritueel al niet herhaald, alvorens zijn vermoeide lijf te slapen te leggen op de koude, harde vloer van deze ongetwijfeld als grafkamer bedoelde grot? Hij was de tel allang kwijtgeraakt, net als de drang om de braillestreepjes op zijn stok in het aardedonker af te tasten.

Wonderlijk genoeg, was hij al na een week of twee van zijn aanvankelijk zo kwellende hongergevoel verlost. Het bittere water dat van het plafond sijpelde was net genoeg om zijn mager wordende lijf in leven te houden. Blijkbaar kan een mens heel lang leven van enkel water en lucht. Althans, wanneer je een man bent die, net als hijzelf, gewend is aan het harde leven in de bergen, met zijn karige voedsel, bloedhete dagen en stervenskoude, van god en mens verlaten, nachten.

In de Egyptische duisternis die hem nu al zoveel dagen en nachten omhulde, werd zijn geest steeds klaarder en rustiger. Niets kon hem nog deren of bang maken. Of hij nu ‘ s nachts wakker lag op de vloer en zijn trage hartslag telde, of overdag steeds weer dezelfde passen maakte in de slechts enkele vierkante meters omvattende uitgehouwen rots, in de hoop zijn lichamelijke conditie nog enigszins op peil te houden.

Hoe was hij in deze situatie van gevangenschap verzeild geraakt? Hij herinnerde zich een koude, heldere nacht. Het uitspansel was bezaaid met sterren en hij zat rustig zijn avondmaal te eten, bestaande uit een stuk brood, schapenkaas en wat slokken water, op het houten krukje voor de schaapskooi die ook hem tot slaapvertrek diende. Zijn hond lag naast hem, eindelijk ontspannen na een lange dag van onstuimige waakzaamheid.

Plotseling schrok hij op uit zijn gemijmer door een vreemd geluid dat van achter de schaapskooi leek te komen. Hij kon het niet thuisbrengen. Het was met geen enkele bekende klank uit de natuur of de mensenwereld te vergelijken en klonk lieflijk en angstaanjagend tegelijk, als een koor van hemelse stemmen. Aanvankelijk zwak en nauwelijks hoorbaar, zwol het geluid oorverdovend hard aan en werd hij met grote snelheid opgetild, terwijl een bovenaards licht zijn blik verblindde. Het volgende moment lag hij in het volstrekte duister op de bodem van de grot. Zonder zijn trouwe hond en zonder zijn schapen. Maar nog wel met de vertrouwde staf in zijn rechterhand…

Later, toen hij door enkele bergbewoners werd ontdekt en, halfblind en tot op het bot vermagerd, bevrijd was uit zijn benarde situatie, vernam hij de toedracht van zijn abrupte verdwijning. Die bewuste nacht was aan enkele collega-herders, die in een vallei iets verderop hun kudde hoedden, een vlucht engelen verschenen, met de verbazingwekkende boodschap dat in een stal in het nabije dorpje Bethlehem een kind was geboren, dat de wereld kwam verlossen. Op aandrang van de engelen, hadden de herders hun schapen alleen gelaten en waren ze op weg gegaan om hun pasgeboren Verlosser de vereiste eer te bewijzen.

De operatie engelenschaar bleek echter niet helemaal perfect verlopen te zijn. Jorams onfortuinlijke lot was een typisch geval van collateral damage. Na het verkondigen van hun blijde boodschap waren de engelen namelijk iets te heftig ten hemel opgestegen en hadden ze hem per ongeluk meegezogen in hun vlucht. Om hem, toen ze eenmaal vaart hadden gekregen, pardoes weer te laten vallen…

Hoe hij in deze grot terecht was gekomen met zijn zware sluitsteen, die zijn bevrijders slechts met grote moeite opzij hadden weten te rollen, kon niemand verklaren. De vermoedelijke grafkamer lag in een mooie tuin, vlakbij het zogeheten Schedelveld of Golgotha, waar ter dood veroordeelde misdadigers werden gekruisigd.

{Mijn eerste fantasyverhaal, verschenen in het kwartaaltijdschrift Fantastische Vertellingen, nummer 40, december 2016 Stichting Fantastische Vertellingen Nieuw Vennep)